zondag 22 februari 2015

Stipje

Als de wereld aangaat, gebeurt er iets magisch. Dat weet ik al lang. Uren heb ik er betoverd naar gekeken.
 Dat de aarde zelf mijn jongenskamertje verlichtte: ik kon het toen nog niet zo verwoorden, maar ik begreep wel dat er iets wonderlijks plaatsvond.
 En in het blauwe schijnsel van de bol luisterde ik naar de late treinen, de slapengaande ouders, Real Madrid-Anderlecht op het radiootje en de gelukkige poes op bed.
 Ten slotte tolde ik hem soms razendsnel rond en waar hij stilstond, zou ik wakker worden.

De herinneringen verschenen toen ik deze week een jarige foto terugzag. Ze hebben hem een naam gegeven: Pale Blue Dot. Dat is lyrisch Engels voor ‘bleekblauwe stip’.
 Hij is 25 jaar geleden gemaakt, door Voyager I, de ruimtesonde die na bijna veertig jaar intussen vermoedelijk ons zonnestelsel heeft verlaten. En daar nu het gerucht van het heelal doorstuurt. Naar de website van Nasa.
 U moet eens luisteren, we weten niet wat we horen.

Astronoom Carl Sagan had in 1990 het heerlijke idee de foto te laten maken. Net voor de camera van Voyager I uit moest wegens – toen al – energiebesparingen, 6 miljard kilometer van ons vandaan, heeft die camera zich nog één keer omgedraaid en onvergetelijk het stofje vereeuwigd waarop wij bestaan.
 Het haast onzichtbare stipje op de foto, dat zijn WIJ.
 Stel u voor.

Ik weet niet of ik een ontroerender foto ken. Tenzij de eerste van het eerste kind.
 En zodra ú de foto van Pale Blue Dot ziet, hoef ik eigenlijk niets meer uit te leggen. Het beeld schittert even soeverein als een ster. Maar ik moet nu eenmaal mijn woorden halen.

Na een duimbreed op kosmische schaal zijn we al onzichtbaar. Zo groots en zo niets zijn wij

0,1 pixel is de aarde hier maar. Stel u voor. En waar die uitgedoofde camera zich nú beweegt, waarschijnlijk al ontsnapt aan de waakvlam van de zon, zijn wij allang volstrekt onzichtbaar.
 Daar hou ik van, die nietigheid.
 Terwijl hier eindelijk weer een lentelichtje schijnt over mijn klavier, zijn wij nergens. Na een duimbreed op kosmische schaal zijn we al onzichtbaar.
 Zo groots en zo niets zijn wij.
 Daar kan ik met de jaren steeds vaker om glimlachen.

En waarom zou ik woorden bedenken, als er al veel mooiere bestaan? Toen hij 25 jaar terug de foto de wereld instuurde, sprak Sagan tegelijk de mooiste column uit van de eeuw. Nu te horen op Youtube.
 ‘Kijk nog eens goed naar dat stipje’, begon hij. En ik keek naar het stipje. Maar het leek voortdurend op mijn netvlies te willen verdwijnen. De wereld kwam en ging.
 En toen zei hij, wijzend naar ons stipje: ‘Dát is hier. Dat is thuis. Dat zijn wij.’ Zo zei hij het.
 Dát is hier. Dat is thuis. Dat zijn wij.
 Daar, in the middle of het oneindige nowhere, wonen wij. Op dat blauwe pluisje in de duisternis.

Ik vind het in al hun eenvoud nog altijd prachtige woorden.
 Maar natuurlijk, lees die simpele woorden, kijk naar die wonderlijke foto van ons wolvlokje in de uitdijende breiwerk van de kosmos aan het dagelijkse ontbijt, boven het zompige eitje, en je denkt, denkend aan de werkdag, de dagelijkse onthoofdingen, de files in Groot-Bijgaarden, de begrotingsoefeningen en het weerbericht: fuck het hele heelal!
 Ik begrijp het wel.
 Maar we moeten het heelal óók begrijpen: wat doet dat stralend blauwe, bloeddorstige en luidruchtige stipje hier in mijn stille, eeuwige, onverschillige donker?

Als we dat eens wisten

(B.Dewulf in DS Magazine 21/2/2015 p.5 )