Muziek was de weken en maanden daarna balsem op de wonde. Bach vooral, die me sindsdien nog doorleefder in de oren klinkt dan vroeger. Zijn cantate Actus Tragicus gaat me door merg en been, vooral wanneer de alt “Wie Gott mir verheissen hat: der Tod ist mein Schlaf geworden” aanheft. Al ben ik het niet altijd met Bach eens: “Gottes Zeit ist die allerbeste Zeit.” Voor het afscheid van een dierbare is er geen “beste Zeit”, en God, daar denk ik het mijne van. Maar geen enkele componist, geen enkele kunstenaar slaagt er zo goed in als Bach om de grens af te tasten tussen leven en dood....
Bij een notie als het leven na de dood kan ik me weinig voorstellen. Dat er zoiets zou kunnen zijn als het “eeuwige leven” biedt me geen troost. Wel, en dat klinkt misschien paradoxaal, dat we maar een radertje zijn in de geschiedenis, een verwaarloosbaar detail op een verloren rotsblok ergens op de rand van het heelal. Dat het leven fundamenteel zinloos is, en dat we de betekenis ervan zelf moeten invullen. En dat mijn vader in die 81 jaar van zijn leven daarin geslaagd is. (Ivan Ollevier, De redactie)