vrijdag 31 januari 2014

Moral blindness en anosognosie

Hoe komt het dat het zo moeilijk is voor mensen om vooruit te kijken en hoofd-en bijzaken te onderscheiden?

Vermeersch: ‘Omdat we allemaal zelf deel uitmaken van het systeem. Ik eet graag garnalen. Maar de Noordzeegarnalen op mijn bord worden eerst naar de andere kant van de wereld gevlogen om te worden gepeld. Wat een onnoemelijk verlies. Zo zijn er duizend en één dingen, waar we ons soms zelfs niet van bewust zijn.’

Beeckman: ‘Zygmunt Bauman noemt dat moral blindness. We weten de gevolgen van ons handelen voor anderen niet. Of we kunnen makkelijk doen alsof we het niet zien. We zijn individualistisch geworden.’

Interview in ‘De Tijd’ dd 28/12/2013, met Tinneke Beeckman en Etienne Vermeersch

Ik kijk naar de wereld als psychiater en ik zie veel problemen maar de wereld beseft dat niet. Het is zoals met mijn patiënten die geen ziektebesef hebben. In geleerde medische termen heet dat anosognosie. Zolang die ontkenning er is kan er geen genezing volgen. Ik trek dat door naar de wereld. Zolang de problemen worden ontkend of weggemoffeld, kan er geen verandering optreden. (Psychiater Dirk De Wachter).

We "rationaliseren" de problemen weg (gehoord).


Komt er nog eens een financiële crisis? Ja, volmondig. Wanneer? Moeilijk op te antwoorden. Maar er komt er een, want de basisoorzaak is niet verdwenen. Dat zijn wij met zijn allen, onze gedrevenheid naar almaar meer. In het Engels noemt men dat 'greed'. Daar komt nog 'ignorance' bij: we negeren zaken als ze ons niet goed uitkomen. (Johan Thijs CEO KBC in de Tijd).

dinsdag 28 januari 2014

Not thinking less of yourself, but thinking of yourself less

Een gezond, robuust zelfvertrouwen is een kenmerk van nederigheid. Serieus? Zeker. Het is zelfs het eerste van vijf kenmerken van nederigheid die twee Amerikaanse psychologen noemen in een artikel over de psychologie van de nederigheid, dat verscheen in Social and Personality Psychology Compass. Verdere kenmerken van nederigheid zijn: de eigen fouten onder ogen zien, openstaan voor nieuwe informatie, gericht zijn op anderen en iedereen gelijkwaardig achten.

Bij dit rijtje eigenschappen denk je als lezer al snel aan bijvoorbeeld Moeder Teresa, Ghandi en Jezus, maar de onderzoekers noemen in hun artikel geen voorbeelden van beroemde nederige mensen. Ze betogen juist dat nederigheid niet alleen een stabiele persoonlijkheidseigenschap is, maar dat de meeste mensen weleens een nederige bui kunnen hebben. Bijvoorbeeld bij de geboorte van een kind, bij een religieuze ervaring, als iemand iets groots verricht of als mensen diep contact maken met iemand die vergelijkbare problemen heeft.
...
Not thinking less of yourself, but thinking of yourself less. (C.S.Lewis)

(De meest miskende deugd, Ellen de Bruin, DS 28/2/2014).

Jezus zegt tot Johannes: ‘Laat dit nu begaan...’. Een volheid breekt door in dit moment van nederigheid ... Wat een volheid! Alles komt tot vervulling in dit beginnend moment: de doop en onderdompeling die de vorm heeft van een verdrinking en versmachting, wordt gevolgd door een moment van vervulling met een nieuwe, heilige Geest ... Niets grijpt zo diep in ons leven in als die onderdompeling in het water waar we één worden met Hem ... (pater Benoît Standaert).

zondag 19 januari 2014

Matigheid


25 Jozef zei tegen de farao: ‘U hebt tweemaal hetzelfde gedroomd, farao, en God heeft u bekendgemaakt wat hij gaat doen. 26 Die zeven mooie koeien zijn zeven jaren, en die zeven mooie korenaren zijn ook zeven jaren: het is een en dezelfde droom. 27 De zeven magere, lelijke koeien die daarna tevoorschijn kwamen, staan ook voor zeven jaren, net zoals de zeven lege aren die door de wind verschroeid waren: er zullen zeven jaren van hongersnood komen. 28 Het is, farao, zoals ik u daarnet zei: God heeft u laten zien wat hij gaat doen. 29 Er komen zeven jaren waarin er in heel Egypte grote overvloed zal zijn. 30 Daarna volgen zeven jaren van hongersnood. Dan zal niemand zich nog iets herinneren van de overvloed die er in Egypte was. De hongersnood zal het land te gronde richten 31 en zo erg zijn dat er van de eerdere overvloed niets meer te bespeuren valt. 32 Dat u deze droom tweemaal hebt gekregen, betekent dat Gods besluit vaststaat en dat hij het binnenkort gaat uitvoeren. 33 U zou er daarom goed aan doen, farao, een verstandig en wijs man te zoeken en het bestuur over Egypte aan hem toe te vertrouwen. 34 Ook zou u krachtige maatregelen moeten nemen. Ik raad u aan in het hele land opzichters aan te stellen en tijdens de zeven jaren van overvloed een vijfde te vorderen van wat het land opbrengt. 35 Al het voedsel dat Egypte voortbrengt in de goede jaren die straks aanbreken, moet worden verzameld. U moet erop toezien dat er in de steden graan wordt opgeslagen, en dat graan moet zuinig worden bewaard. 36 Uit die voedselvoorraad kan het land dan putten in de zeven jaren van hongersnood die het te wachten staan. Zo hoeft Egypte niet van honger om te komen.’ (Genesis 41)

Een muizenval, met een euro in plaats van het obligate stukje kaas. Dat beeld siert de cover van De Muizenval, het boek waarin VKW-hoofdeconoom Geert Janssens terugblikt op de crisis. Zijn stelling is daarmee perfect samengevat: zoals de geur van kaas een muis naar zijn ondergang leidt, zo bracht hebzucht de westerse wereld op de rand van de afgrond. Janssens kijkt voor zijn analyse niet alleen naar de economische wetenschap, maar ook naar wat de psychologie te vertellen heeft over het menselijk gedrag.
....
We worden door ons brein geregeld in de maling genomen. Veel meer dan we zelf beseffen. We laten ons te veel leiden door ons intuïtief, oppervlakkig kortetermijndenken. En vergeten de kennis te gebruiken die we in het verleden opgebouwd hebben en die dieper in ons geheugen begraven zit. Alsof er twee verschillende persoonlijkheden in ons brein zitten.’

‘We moeten terug naar een systeem waarbij het eigenbelang samenvalt met het algemeen belang. De chantage omdat banken te groot zijn om te kunnen omvallen, moet weg. Wie fouten maakt, moet op de blaren zitten.’ Dat zal onvermijdelijk economische groei kosten. ‘Ja, we moeten durven economische groei opofferen.’

(Geert Janssens, econoom VKW, DS 18/1/2014)

Tomáš Sedláček: 'In het paradijs is er geen economische groei'

1 maart 2013 ( MO* ) — Wiskunde is de nieuwe mythe, zegt de Tsjechische econoom Tomáš Sedláček. Hij bekijkt de Griekse schuldencrisis, de mondiale ongelijkheid en economische theorie liever vanuit hun filosofische of ethische grondslag dan vanuit mathematische modellen.
Mediaviewer

© Michaela Danelova
Tomáš Sedláček is een jonge god onder de economen, en zo ziet hij er ook uit. Een bijna gouden krans krullen omgeeft zijn altijd stralende gelaat, zijn forse gestalte laat hem toe zijn argumenten met veel gewicht te onderstrepen, zijn lach klinkt alsof hij zo van de Olympos gerold komt. Vaclav Havel gebruikte hem als zijn economisch raadgever in de jaren negentig en vandaag is Sedláček nog steeds hoofd macro-economische strategie bij de CeskoSlovenská Obchodní Banka (CSOB), Tsjechiës grootste bank, en lid van de Nationale Economische Raad in Praag.

Als hij zegt dat de economie minder een kwestie is van wetenschap dan van mythologie, dan is dat niet omdat de wiskunde hem te boven gaat, maar omdat hij vindt dat de rol van mathematische modellen ruimschoots overschat wordt. Sedláček: ‘Elk economisch model is een verhaal waarmee we de werkelijkheid rondom ons proberen te verklaren. Vroeger waren dat mythologische verhalen, vandaag zijn dat wiskundige verhalen. We zijn echter zo ovetuigd dat die cijfers de werkelijkheid zelf zijn, dat we terechtgekomen zijn in een extreem ideologische wereld, waarin geen afstand meer bestaat tussen het verhaal en de realiteit.’

Tomáš Sedláček: Het zou extreem moeilijk zijn om de logica van vriendschap in een economisch model te gieten, en dat hoeft ook niet want iedereen weet dat vriendschap werkt zonder er wiskunde bij te halen. Maar ook als je het debat over Griekenland volgt, merk je dat het veeleer een theologisch dan een economisch debat is. We stellen in toenemende mate vast dat de cijfers in dat debat secundair of zelfs verwaarloosbaar zijn, wat resulteert in een debat over de wet versus genade. Moeten we de regels strikt toepassen of moeten we vergeven? En als we vergiffenis schenken, hoe vaak dan? Zeven keer, zevenenzeventig keer, zeven maal zevenenzeventig?

In Griekenland gaat het toch om echt becijferbare schulden en problemen?

Tomáš Sedláček: De cijfers bestaan, uiteraard, en je moet ze niet negeren. Maar de cijfers zullen je nooit het antwoord geven. Mijn punt is dat mensen zich niet wiskundig gedragen, maar filosofisch. En als we dat niet erkennen, creëren we juist crisissen zoals in Griekenland.

Economie wordt vaak voorgesteld als een discipline die functioneert op basis van onveranderlijke, in de aard van de dingen besloten wetten zoals de onzichtbare hand van de markt.

Tomáš Sedláček: Het eerste niveau van regulering is het aanvaarden van morele normen: ik zal geen bedrog plegen, ik zal geen schadelijke producten produceren… Als dit sterk genoeg aanwezig is, dan is er verder geen behoefte aan coördinatie of externe regulering.

Het tweede niveau is concurrentie en coördinatie binnen die concurrentie. Als alle schoenenproducenten afspreken dat ze geen plastic zullen gebruiken, maar kwaliteitsvol materiaal, dan kan verder de markt haar werk doen. Maar als beide voorgaande niveaus niet werken, dan is er geen ontkomen aan, dan moet de overheid ethische regels opleggen.

Als de vraag is of we ons moeten onderwerpen aan de wetten van de markt, dan wel of we de economie moeten onderwerpen aan regels die door de overheid opgelegd worden, dan kies ik voor de tweede optie. Anders ruilen we de onbewogen beweger van de middeleeuwse theologie in voor de markt die ons leven en gedrag regelt, terwijl wij haar niet zouden mogen reguleren. Ik verwerp de goddelijke voorzienigheid van de markten.

De hedendaagse economie lijkt vooral te draaien op krediet en schulden. Heeft dat te maken met de dominantie van de financiële sector over de reële economie?

Tomáš Sedláček: Het is niet omdat een samenleving geld gebruikt, dat het een schuldenmaatschappij moet worden. Het feit dat onze samenleving dat wel geworden is, heeft te maken met het feit dat we de interestvoeten niet kunnen beheersen. Alle klassieke filosofen en religieuze denkers waarschuwden tegen het gebruik van interest. Van Aristoteles over het Oude Testament, de Koran, de Veda’s tot de klassieke Summerische rechtspraak, altijd was de boodschap: interesten zijn een vreemd en complex gegeven dat we niet goed kennen of beheersen, gebruik ze dan ook zo weinig mogelijk. Die oude wijsheid werd overboord gegooid en interesten werden zelfs een van de pijlers van ons economisch systeem. Met alle gevolgen vandien.

Zorgt de centraliteit van interesten er ook voor dat de economie steeds moet groeien?

Tomáš Sedláček: De groei van de voorbije decennia in het Westen hebben we gekocht in ruil voor instabiliteit. Je kan het vergelijken met een auto die heel snel kan rijden, maar als je op de rem duwt, ontploft hij. Ik weet niet of zo’n wagen succesvol zou zijn op de markt, maar het is wel een model dat voor de wereldeconomie aangeprezen wordt. Ik denk dat het de hoogste tijd is om een afkoelingsbeweging te maken.

Zijn er voorbeelden van functionerende economieën die niet groeien, maar wel in staat zijn tewerkstelling en kwalitatieve sociale diensten te bieden aan de bevolking?

Tomáš Sedláček: Alles gaat makkelijker als de economie groeit, uiteraard. Maar we weten dat groei niet permanent of vanzelfsprekend is. Landen of maatschappijen moeten zich dan ook zo organiseren dat ze ook periodes zonder groei of met economische krimp kunnen overleven zonder aan sociale afbraak te doen. Dat lukt niet als je ervan uit gaat dat groei een soort goddelijke garantie is, of een onvervreemdbaar mensenrecht. In periodes van groei moet je voorzorgen nemen voor de tijd van economische tegenspoed, die onvermijdelijk komt. Finland, bijvoorbeeld, heeft zijn economische groei bewust afgeremd om zo de schuldengraad van het land stabieler te maken.

De Hebreeuwse samenleving loste problemen van ongelijkheid en schulden op met het joodse jubeljaar. Elke 49 jaar werden alle schulden vergeven en de productiemiddelen herverdeeld. Is dat een idee voor de Europese Unie vandaag? Of is het slechts een mooi verhaal dat ons moet herinneren aan de gevaren van accumulatie van kapitaal en ongelijkheid?

Tomáš Sedláček: Het is beide, denk ik. Het systeem was bedoeld voor een lokale economie 3000 jaar geleden, dus als je de principes vandaag zou willen toepassen, moet het een heel ander uitzicht krijgen. Je zou de financiële crisis kunnen lezen als een opgelegde vergiffenis van schulden, maar dan op een manier die niet tot de enkels reikt van het oude jubeljaar. De joden hadden een voorspelbaar systeem uitgebouwd dat bedoeld was om de concentratie van rijkdom tegen te gaan en de mensen te helpen die omwille van allerlei redenen gemarginaliseerd geraakt waren. Vergelijk dat met de huidige crisis, die niet voorspelbaar was en die op een heel ongelijke en onrechtvaardige manier de schulden vergaf op het niveau waar de rijkdom geconcentreerd was, terwijl de lasten ‘Als Griekenland tachtig jaar geleden failliet was gegaan, dan hadden de andere Europese landen zich niet afgevraagd hoe ze het land konden redden, maar hoe ze het zouden aanvallen, om zoveel mogelijk te profiteren van het Griekse ongeluk.’ afgewenteld worden op degenen die al kwetsbaar waren.

Het jubeljaar was heel sterk verbonden met de overtuiging dat je elke zeven dagen een dag rust moest inbouwen, dat je om de zeven jaar je veld moest laten rusten, dat je elke 49 jaar het financiële systeem rust moest gunnen. Dat sabbatsgebod is het meest geschonden gebod van de tien geboden. Wij kunnen onze economie niet meer laten rusten. Ik zie dat heel duidelijk in Tsjechië. Sinds we onszelf twintig jaar geleden bevrijdden van het totalitaire communisme hebben we niet anders gedaan dan onszelf uit de naad te werken. Mensen, natuur, technologie, machines: alles heeft onafgebroken gedraaid. Toch zijn we niet in staat om daar van te genieten. Het enige dat we kunnen zeggen is: we willen meer.

U beschrijft de geschiedenis van de economische theorie voor een deel als een voortdurende strijd tussen een stoïcijnse en een hedonistische benadering, als een keuze tussen een economie van beheersing en genoeg versus een economie van persoonlijke bevrediging en groei. Zal de klimaatverandering ons –desnoods tegen heug en meug– dwingen te kiezen voor de stoïcijnse optie?

Tomáš Sedláček: Onze fundamentele fout is dat we de natuur louter bekijken als natuurlijke rijkdommen en grondstoffen voor een consumptie-economie. Zoals we mensen getransformeerd hebben in human resources. Dat paradigma leidt onvermijdelijk tot een exploitatie van die rijkdommen tot op de bodem. Daar tegenover groeit de impact van het oeroude verhaal dat een natuur die we niet respecteren zichzelf van een weldadige omgeving kan transformeren in een gigantische vernietigingsmachine. Als die mythe kan helpen om onze benadering van mens en natuur te wijzigen tot een nieuw evenwicht, dan worden we daar ongetwijfeld allemaal beter van.

En dus: voor goed economisch advies moeten we ons vandaag best tot de stoïcijnen wenden?

Tomáš Sedláček: De economische theorie heeft de stoïcijnse school verworpen ten voordele van het utilitarisme, dat ervan uitgaat dat alle middelen toegestaan zijn om mijn persoonlijke, individuele nut na te streven. Maar zelfs John Stuart Mill, een van de grondleggers van die school, ging eerder uit van het nut voor de hele gemeenschap, en dat zou vandaag het mondiale nut zijn. Als dat de toetssteen is, moet je meteen ophouden te zorgen voor de rijken en voor de rijke landen, omdat het quasi onmogelijk is het nut voor die categorie te verhogen. Zelfs als je onze hoeveelheid chocolade, films, tablets of kleren verdubbelt, verhoogt ons geluk niet of nauwelijks. In arme landen of bij de armsten op de wereld volstaat het echter om de hoeveelheid voedsel met de helft te verhogen om de nuttigheid, of het geluk, een enorme sprong omhoog te zien maken. Met andere woorden: zelfs als je de economische theorie van Mill rigoureus toepast, kom je uit bij een sympathieke economie, een economie waarop we trots zouden kunnen zijn, een economie met waarden en praktijken die diametraal tegengesteld zijn aan de utilitaire economie van vandaag.

In realiteit wordt er wel rekening gehouden met de wensen van de rijkste 1 procent, maar niet of nauwelijks met de miljarden armen.

Tomáš Sedláček: De grote katholieke theoloog uit de middeleeuwen, Thomas Van Aquino, zegt dat eigendom een verdedigbare menselijke institutie is, zolang die niet botst met de fundamentele menselijke principes zoals bijvoorbeeld het recht op leven. In extreme omstandigheden wordt het individuele recht op eigendom ondergeschikt aan het collectieve belang. Dan houdt diefstal op diefstal te zijn, omdat het leven van mensen op het spel staat. Ik veronderstel dat iedereen zich daarin kan vinden.

Het principe van Thomas Van Aquino lijkt vanzelfsprekend als de situatie zich voordoet in een omgeving van fysieke nabijheid, maar de gemondialisserde economie produceert letterlijk miljoenen mensen die sterven van honger of armoede, terwijl de rijke bovenlaag van de wereld niet eens bereid is een stukje van haar overvloed op te geven om die onrechtvaardigheid uit de wereld te helpen.

Tomáš Sedláček: Dat klopt, en dat produceert een enorme morele schuld. De notie van de naaste werd heel erg uitgebreid, van de letterlijke gebuur of landgenoot tot de vreemdeling –de Samaritaan, in Jezus’ parabel– en de noodlijdenden overal ter wereld. Dat belette ons in het verleden niet om Afrikanen tot slaven te maken en hun land te exploiteren voor onze verrijking en hun verarming.

Vandaag zie ik toch een verhoogd bewustzijn van onze mondiale morele verantwoordelijkheid, en ik hoop dat die tot een andere omgang met elkaar en met de wereld zal leiden. Ik hoop dat we over een generatie erin zullen slagen de instrumenten te installeren om dat bewustzijn te vertalen in concrete en daadwerkelijke zorg voor alle aardbewoners.

Tegelijk geloof ik dat de mensheid al een hele weg afgelegd heeft. Als Griekenland tachtig jaar geleden failliet was gegaan, dan hadden de andere Europese landen zich niet afgevraagd hoe ze het land konden redden, maar hoe ze het zouden aanvallen, om zoveel mogelijk te profiteren van het Griekse ongeluk.

In het begin van uw boek De economie van goed en kwaad beschrijft u het verschil tussen de Summerische en de Hebreeuwse notie van het paradijs. Voor de Summeriërs liggen het paradijs en de bestemming van de mens in de stad, terwijl de Hebreeërs dat paradijs uitdrukkelijk in de landelijke omgeving van natuur en landbouw situeren. Waar ligt het paradijs van de 21ste eeuws mens?

Tomáš Sedláček: Volgens mij is het paradijs, of de hemel, voor de hedendaagse Europeaan op de eerste plaats een zaak van innerlijke rust en evenwicht. Wat je mist of het tegendeel van wat je het meest bedreigt, dat projecteer je in het beloofde land. In ons paradijs is geen sprake van de chaos, de stress en de extreme ongelijkheid van de stad, maar van harmonie tussen mens, natuur en god –wat je daar ook onder verstaat. We kiezen in steeds grotere getale voor een leven in de stad, omdat daar de economische mogelijkheden het grootst zijn. En van de weeromstuit bevatten onze beelden van het paradijs geen verwijzingen naar productiviteit of economie, maar naar onthechting. Het paradijs is de staat van menszijn waarin je niet langer nood hebt aan alle dingen waarvoor je nu dag in dag uit moet werken en zorgen. In het paradijs is er geen economische groei.

Tomas Sedlacek (econoom) in MO
http://www.mo.be/opinie/tomas-sedlacek-het-paradijs-er-geen-economische-groei
http://tv.tijd.be/nieuws/politiek_economie_algemeen/Keynote_Mediafin_Event.4591.tv?tag=&page=1


Komt er nog eens een financiële crisis? Ja, volmondig. Wanneer? Moeilijk op te antwoorden. Maar er komt er een, want de basisoorzaak is niet verdwenen. Dat zijn wij met zijn allen, onze gedrevenheid naar almaar meer. In het Engels noemt men dat 'greed'. Daar komt nog 'ignorance' bij: we negeren zaken als ze ons niet goed uitkomen. (Johan Thijs CEO KBC in de Tijd).

zaterdag 11 januari 2014

La disponibilité avec l'hôte silencieux qui écarte toute limite

L'homme ... n'existe en vérité que dans la disponibilité avec l'hôte silencieux qui écarte toute limite.

(Le ciel est en toi, Michel Cornuz, p.21).

'Daarin beschrijft hij het lange, duizenden jaren durende, ‘intellectualiseringsproces’ dat de mens vanaf de vroegste tijden meemaakt – van een wereld die geheel en al beheerst wordt door magisch denken, naar een wereld die zuiver rationeel wil zijn, een wereld waarin praktische problemen niet door gebeden maar door middel van technologie worden opgelost.

‘Dit nu betekent de onttovering van de wereld’, aldus Weber. ‘We hoeven niet meer, zoals de primitieve mens voor wie wel zulke machten bestaan, naar magische middelen te grijpen om de geesten te bezweren of gunstig te stemmen. Dat doen technische middelen en berekening voor ons.’

Weber voorziet één groot probleem in dat almaar groter wordende geloof in de kracht van de technologie. Wie zijn blik op de wereld zuiver laat bepalen door berekening en een vertrouwen dat alles in het leven beheerst kan worden, accepteert welbeschouwd geen door de natuur vastgestelde grenzen meer. Menselijke beperkingen zijn er om te overstijgen, een rationeel mens wordt geacht zijn lot in eigen handen te nemen. Daardoor komt het idee van een natuurlijke orde, zoals dat nog verbeeld wordt in het vredige, onthechte schilderij van Bruegel, onder druk te staan.

Er is nog een ander lastig aspect aan dat proces van onttovering, dat door Weber zelf over het hoofd lijkt te worden gezien. Ook de mens zelf is onttoverd. De mens is geen mythisch wezen, de mens is geen religieus wezen, de mens is een biologisch wezen – alles wat hij doet of denkt, is het resultaat van natuurlijke processen. Het idee van een menselijke ziel, waarin zijn onvervreemdbare kern zich zou ophouden, mist iedere wetenschappelijke grond. Zelfs ons idee van een persoonlijke identiteit, van een ik, blijkt bij nadere beschouwing een optische illusie. We zijn, alle bewijs wijst erop, niet meer dan een verzameling biologische en neurologische processen, voortdurend aan verandering onderhevig en uiteindelijk gedoemd om te vergaan. Alleen: iets in ons brein verschaft ons de illusie dat we mensen uit één stuk zijn, iets in onze hersenen maakt dat we onszelf als bezielde wezens blijven zien die, om het simpel uit te drukken, boven de materie staan. Het is niet zo, maar we zijn evolutionair uitgerust te denken dat het wel zo is. .....

Mij lijkt het dan ook onzinnig om, zoals de natuurwetenschapper en filosoof Daniel Dennett, te denken dat de mens er ooit een zuiver op wetenschappelijke feiten gebaseerd wereldbeeld op na zal houden. De scheiding die hij, en met hem zovele anderen, aanbrengt tussen enerzijds een wetenschappelijke, rationele – en anderzijds een irrationele, romantisch of religieus getinte kijk op mens en wereld, lijkt me ten enenmale fictief en onhoudbaar.

Je kunt wetenschappelijk vaststellen dat alles wat door de mens gebruikt wordt om zijn bestaan op deze planeet zin te geven te reduceren valt tot een activiteit in de hersenen – wat ik ook zeker geloof – maar daarmee heb je die mechanismen nog niet gedeactiveerd. Het is al vaak vastgesteld dat de neiging tot geloof bij de mens deel uitmaakt van het evolutionaire proces – en dat wanneer men niet langer in een god gelooft dat bepaald niet betekent dat men zijn religieuze neigingen kwijt is. Ik wil hier zelfs beweren dat iedere menselijke overtuiging, zelfs de meest seculiere en genuanceerde, op een gegeven moment religieuze trekken kan krijgen. Ook het meest ongrijpbare fenomeen van allemaal, de liefde, valt tenslotte te verklaren vanuit de wetenschap als een neurologisch en chemisch proces. En toch zullen maar weinig mensen geneigd zijn het zo op te vatten en hun leven met die kennis in te richten.

Je kunt zeggen dat met de door Weber vastgestelde onttovering van de wereld ook de menselijke verbeelding steeds meer naar de marge van onze cultuur is gedrongen. Wanneer men niet langer in staat is of zich geroepen voelt om de wereld te interpreteren, of om betekenis te geven, blijft er slechts één enkele vorm van zingeving over: calculatie. De mens is dan louter een optel- en aftreksom geworden, de homo economicus. ...

Het intellectualiseringsproces dat door Weber is beschreven is hardhandig tegen zijn eigen begrenzing op gelopen – die grens heet de mens. Die mens wil dromen en fantaseren, interpreteren, betekenis geven, zin ontdekken. Als het niet goedschiks kan, dan kwaadschiks.

In zijn essay The Case against Perfection. Ethics in the Age of Genetic Engineering probeert de populaire Harvard-professor Michael Sandel een ethiek te vinden ten opzichte van de nieuwe maakbaarheid van de mens. Hij ziet het hele debat over gentechnologie in morele termen. Naast de vraag ‘hoe ver kunnen we gaan?’ moet de vraag ‘hoe ver willen we gaan?’ gesteld worden. Daarmee zijn we terug bij de mythe van Icarus. Sandel ziet zelf ook in hoe verleidelijk de droom van de totale maakbaarheid van de wereld en dus ook van de mens is. Hij schrijft: ‘Er zit iets aanlokkelijks, zelfs iets meeslepends, aan een menselijk beeld van menselijke vrijheid die niet door de gegeven aard van het leven aan banden is gelegd. Wellicht was die visie zelfs zo verleidelijk dat ze een rol heeft gespeeld bij de totstandkoming van de revolutie in de genetica.’

Hier zien we de Icarus als hemelbestormer, Icarus als grensverleggende held, zoals die is afgebeeld in een schilderij van Rubens. Maar, zegt Sandel, ‘we kunnen gentechnologie ook zien als de ultieme uitdrukking van ons streven om onszelf boven de wereld te plaatsen, als meesters over onze natuur. Maar die opvatting van vrijheid is onjuist. Ze dreigt onze waardering voor het leven als een geschenk te ondermijnen. Het enige wat er dan nog overblijft om te respecteren is onze eigen wil.’ ....

Het leven als een geschenk – het is gemakkelijk die notie af te doen als een fantasie, een product van de verbeelding – het is zuiver een geval van interpretatie, of zo u wil bewustzijn. Maar dat is precies waar het mij om gaat. Wanneer wij onszelf en de wereld niet als gegeven beschouwen, maar als iets wat ons is gegeven, kan het ons behoeden voor de waan van de maakbaarheid, zowel de maakbaarheid als wetenschappelijke droom en als romantische droom. Die notie dwingt onze interpretaties van onszelf en de wereld te toetsen op houdbaarheid. Ze dwingt tot het besef dat ons beeld van de wereld nooit helemaal samenvalt met de wereld zelf.

(Bas Heijne, De betovering van de wereld in DS 14 december 2013)

Ik zie mijn atheïsme nu als wat het is: een intellectueel geloof dat vooral toegankelijk is voor mensen die niets te kort komen. Ik kijk terug naar de jongen van zestien die ik was en ik zie de Predikant en zijn publiek met andere ogen. Ik kijk naar een kwetsbare vrouw die bidt en zie een moeder die met een minimumloon drie kinderen probeert groot te brengen, terwijl hun vader ergens dronken is. Ik kijk naar een tienermeisje met een kruisje en zie een jonge vrouw die door een verslaafde vader wordt misbruikt en dat even wil vergeten. Ik kijk naar de Predikant en zie een man die in een krot woont, zonder elektriciteit, een man die wanhopig probeert om van de drugs te blijven en iets te begrijpen van een wereld die hem weinig heeft geschonken. Zij vonden hun hoop waar ze konden.

Ik zou graag teruggaan naar de jongen van zestien die ik was en zeggen dat hij geen wijsneus moet zijn. Ik wil hem vertellen dat hij dankbaar moet zijn omdat hij het zo gemakkelijk heeft. Omdat hij een uitweg heeft, een weg naar welvaart. Ik zie ook Richard Dawkins anders. Ik zie hem nu als een volwassen versie van die jongen van zestien, trots op zijn verstand en niet in staat om te begrijpen waarom iemand iets anders denkt of gelooft dan hij. Ik zie iemand die zo ver van de mensheid en van de ambiguïteit van het leven verwijderd staat, dat hij andersdenkenden veroordeelt. Ik zie iemand die zelf doet wat hij bij anderen zo ergerlijk vindt: prediken uit egoïstisch voordeel.

(Chris Arnade, ‘Misschien is atheïsme een intellectuele luxe voor rijken’, DS 28/12/2013)

Ik begin een beetje bank te worden omdat ik intellectuelen steeds vaker de rede ter discussie hoor stellen. We moeten blijkbaar terug naar het gevoel, de emotie, een verhaal. Dat zijn frasen van romantici in de tweede helft van de 19de eeuw. Zoiets is niet ongevaarlijk. Als je de emotie de bovenhand laat nemen, krijg je vlug fundamentalisme. En daar hebben we momenteel genoeg van.

(Etienne Vermeersch, De Tijd).